Afzet

Daar de Belgische druiven echte luxeproducten waren, konden ze rekenen op extra veel zorg en toewijding . Serristen wilden dat hun druiven  mooi op de plaats van bestemming kwamen en dus was de verpakking een delicate aangelegenheid. Het transport gebeurde te voet tot aan het station van Groenendael en van hieruit per spoor naar Brussel.

De stoomtram Overijse - Groenendael

Reeds in 1885 dienden de gemeenten Overijse en Hoeilaart een aanvraag in  bij de pas opgerichte Nationale Maatschappij der Buurtspoorwegen voor de aanleg van een tramlijn Brussel – Overijse. In het jaar 1894 stoomt de lang verwachte tram van Overijse naar Groenendaal en het vervoer gaat nu op wieltjes.

 

 

 

Hallen der Voortbrengers

Onder impuls van het "Syndikaat der druiventelers" wordt in 1900  de “Hallen der Voortbrengers” te Brussel opgericht. De verkoop was er op coöperatieve basis georganiseerd. Wanneer een serrist zijn druiven in de halle wilde verkopen, moest hij eerst en vooral lid zijn. Een bepaald percentage van de opbrengst was bestemd voor de halle zelf, zodat onkosten en personeel konden betaald worden. De “Hallen der Voortbrengers “ stimuleert zeker de afzet. Rond 1900 wordt 1 kg druiven verkocht tegen 3 BEF, zowat het dagloon van een  mijnwerker.

 

Besturen der Brusselse hallen der Voortbrengers

 

 

Markthalle Hoeilaart

Na de Eerste Wereldoorlog kwam er nog een  belangrijke manier van verkoop bij, namelijk de verkoop aan druivenhandelaars of in serristentaal de “marchands “genoemd. Dit had  het voordeel dat de teler zich geen zorgen meer hoefde te maken over het inpakken. De druivenhandelaars kochten meestal een volledige serre druiven die ze eigenhandig of door hun personeel lieten oogsten. Met deze druivenhandelaars draaide de export snel op volle toeren. Groot-Brittannië was de grootste afnemer, gevolgd door Duitsland, Frankrijk, Nederland, Zweden en zelfs de Verenigde Staten. In 1949 werd de overdekte markthalle van Hoeilaart in gebruik genomen.

 

De  Serristengilde en haar voorlopers

1894 :

Oprichting van het "Syndikaat van Belgische Druivenkwekers". Deze  maatschappij  had voornamelijk tot doel gezamenlijke aankopen te doen van grondstoffen, de verkoop te bevorderen en politieke beslissingen af te dwingen.

1901 :

Van overheidswege werd de Nationale Federatie der Verenigde Tuinbouwers opgericht. Hierin zetelden afgevaardigden van de meeste tuinbouwsectoren.

1908 :

De "Hogere Tuinbouwraad" werd opgericht door de minister van landbouw. Hierin zetelden 30 leden die  de belangen van de verschillende tuinbouwsectoren  vertegenwoordigden.  De druivenstreek was hierin vertegenwoordigd door serrist Jules Van Bever.

1927 :

Studiekring der Belgische Druivenkwekers. Het doel van deze vereniging was lezingen te houden, studiereizen te organiseren en voor  ontspanning te zorgen in het leven van de serrist.

 

Het actieterrein van de "Nationale Unie der Belgische Druivenkwekers" was voornamelijk de verdediging der sociale en economische belangen van de serristen. Ze organiseerde voordrachten en studiereizen voor de serristen en gaf fiscale raad. Wie zich aansloot, diende lidgeld te betalen in verhouding tot het aantal serren.

1928 :

Vanuit de Boerenbond wordt het "Verbond der Druivenkwekers" opgericht. Deze organisatie wou sociale en technische voorlichting verlenen en de verdediging van de druiventelers was steeds prioritair.Ook werd er onderzoek gedaan i.v.m. bemesting, ziekte- en insectenbestrijding, verwarmingstechnieken, enz....

1954 :

Op 16 oktober verschijnen de statuten van het "Plaatselijk Propagandacomité Overijse ter bevordering van de afzet van Serreproducten" in het Belgisch Staatsblad

1956 :

De "Vrije Serristenbeweging", - ontstaan uit de splitsing van de Nationale Unie der Druivenkwekers - is een beroepsvereniging met meer liberaal getinte politiek. Hun programma is identiek aan dat van de Nationale Unie der Druivenkwekers.

1976 :

9 september is de startdag van de "Groene Kring Druivenstreek" in de Isca-zaal te Overijse. Het voornaamste doel was het herenigen van de jongere druiventelers en landbouwers, en het streven naar modernere manieren van telen.

 

 

Een belangrijk facet van  al deze verenigingen was het organiseren van grote druivententoonstellingen met als doel promotie te maken voor de Belgische druif. Vanaf de jaren ’50 werden deze tentoonstellingen gekoppeld aan festiviteiten.